De Broederschap van O.L.Vrouw

Het ontstaan van de Broederschap door J.W. Schoonderwoerd

(onderstaande tekst is een bundeling van een aantal artikelen die de heer Schoonderwoerd eerder in ons tijdschrift schreef over de de Broederschap van O.L.Vrouw)

Voor het ontstaan van de Broederschap moeten we teruggaan naar 1471. Het was toen een roerige tijd waarin graven en bisschoppen, kasteelheren en andere adellijke heren elkaar bevochten om het bezit van land en macht. De toenmalige pastoor van Vleuten, Aernt Jansz van der Bilt, was een vredelievend man, die al dat geweld verafschuwde en vond dat die heren toch met elkaar in vrede moesten kunnen leven. Hij nam daarom het initiatief tot het bijeenroepen van verschillende heren uit de omgeving in de kerk van Vleuten. Hij kreeg hen zover dat zij kwamen en zij beloofden als broeders vreedzaam naast elkaar te zullen leven. Voor het altaar van Onze Lieve Vrouw werd toen een soort gilde opgericht: de Broederschap van Onze Lieve Vrouw, waarvoor op 22 april 1471 (Beloken Pasen of eerste zondag na Pasen) een offici?le stichtingsbrief werd opgemaakt.

Het perkament waarop die stichtingsakte werd geschreven was niet best en was na bijna 100 jaar versleten. Op 7 maart 1568 (de eerste zondag in de vasten) werd de stichtingsbrief daarom opnieuw vastgesteld.

Dit charter met de vernieuwde statuten is bewaard gebleven. Er staat ook in wie de oorspronkelijke stichters waren: Frederick Uuten Ham, heer van Den Ham en maarschalk van het Nedersticht; Jan Uuten Ham, heer van Bottestein, Henrick van Eemskerck, heer van Zuileveld,?Alfert van der Meije, heer van Ter Meij, Barnier van Wel en “andere goede mannen”.

De in 1568 vernieuwde stichtingsbrief werd ondertekend door Jan Nijssoon, wonende op Spengens hofstede, en Cornelis Gijsbert Jansz, als procurators van de Broederschap, en Cornelis Cornelisz Poel op Spijek en Henrick Tonisz, als kerkmeesters van Vleuten, en gezegeld door Jonker Frederick Uuten Eng, Jonker Johan Uuten Ham, Gijsbert Cornelisz Duten Wael, schout van Vleuten, Cornelis Cornelissen, schout van Themaat (en kerkmeester van Vleuten) en Gijsbert Jansz van Wel, schout van De Haar.

De voornaamste bepalingen uit deze statuten (waarvan een transcriptie als bijlage is opgenomen) zijn:

  1. dat er elke zondag en elke woensdag op het OL.Vrouwen altaar een mis zal worden gedaan voor de levende en overleden broeders en zusters;
  2. dat op een vooraf bepaalde zondag de broeders en zusters samen zullen eten en op de daaraanvolgende maandag in de kerk komen, waar een mis gedaan zal worden voor de levende en overleden broeders en zusters, waarna zij weer een maaltijd hebben, waarbij v??r de maaltijd door de procurators rekening en verantwoording wordt gedaan, ??n nieuwe procurator wordt gekozen en allen hun bijdrage in de kosten zullen betalen;
  3. dat voor elke broeder of zuster die gestorven is de procurators een uitvaartmis laten doen;
  4. dat degenen die tot de Broederschap toegelaten worden goede eerbare mannen en vrouwen en van goede naam en faam dienen te zijn en bij hun inschrijving een pond was moeten geven voor de kerk en dat de toelating geschiedt ten genoegen en met toestemming van de procurators en de meerderheid van de broeders en zusters;
  5. dat een broeder of zuster die uit de broederschap wenst te treden een gulden moet betalen als dat uittreden zes weken voor de maaltijd geschiedt en bij later uittreden ook zijn aandeel in de kosten van dat jaar;
  6. dat er boetebepalingen gelden voor degenen die tijdens de maaltijd woorden krijgen, messen trekken, of iemand letsel toebrengen;
  7. dat degenen die zich misdragen uit de broederschap gezet kunnen worden;
  8. dat alle broeders en zusters zich zullen houden aan de bepalingen van de statuten.
Vaandel Broederschap
Vaandel Broederschap

Als we het heel nuchter bekijken lijken het niet meer dan regels voor een clubje heren die vrienden willen zijn, een keer per jaar samen gezellig eten en door de pastoor wat missen laten doen voor het heil van hun zielen, met een aantal boetebepalingen voor wie zich niet aan de regels houdt. Hoewel er naast broeders ook zusters lid kunnen zijn is er geen enkele vrouw als lid gevonden.

Een doelstelling dat de Broederschap iets voor anderen doet, zoals hulp aan armen of iets dergelijks, komt in de statuten niet voor.

Toch heeft deze Broederschap altijd een zekere status gehad, was het een eer om daar lid van te zijn en voor heel wat mensen een instelling om geld en goed aan te schenken of te legateren. Is dat wellicht een gevolg van het feit dat de stichting plaats had door de pastoor en een aantal adellijke heren en dat er in de loop der tijd veel voorname heren lid van zijn geweest? Deze vraag zal niet beantwoord kunnen worden, maar het is echter een feit dat de Broederschap nu al meer dan 500 jaar bestaat, dat er door haar in de loop van de eeuwen ook veel goede dingen zijn gedaan en dat er nu in haar statuten is opgenomen dat zij haar doel mede tracht te bereiken door het ondersteunen en/of bevorderen van godsdienstige, charitatieve, culturele en sociale acties.

Laten we eens bezien wat er in die 500 jaar met de Broederschap is gebeurd.

Activiteiten van de Broederschap

Omdat er uit de eerste eeuwen van het bestaan van de Broederschap zeer weinig geschriften bewaard gebleven zijn, is er ook weinig te vinden over wat er door haar gedaan werd.

Over de tijd tussen 1471 en 1558 is van enige activiteit van de Broederschap, behoudens het bezit van enkele eigendommen, waarover hierna meer, niets bekend. Van de jaren daarna tot rond 1770 zijn slechts enkele geschriften bekend waaruit iets over het functioneren van de Broederschap blijkt Na de beeldenstorm van 1567, die ook in de kerk van Vleuten plaats vond, werd het functioneren van de rooms-katholieke kerken en instellingen steeds verder bemoeilijkt door de protestantse overheidsorganen. In 1580 werden alle uitingen van het katholieke geloof verboden en derhalve werden er, althans in het openbaar, ook geen missen meer voor de Broederschap gedaan.

Ondanks alle verboden bleef de toenmalige pastoor Van Segvelt nog tot zijn dood in 1611 functioneren, wat mede tot gevolg heeft gehad dat het merendeel van de Vleutense bevolking katholiek is gebleven.

De kerk van Vleuten en de eigendommen van de kerk werden door de gereformeerde overheid geconfisqueerd en datzelfde dreigde ook te gebeuren met de bezittingen van de Broederschap, die ook wel als een kerkelijke instelling werd gezien. Dat dit toch niet is gebeurd is wellicht een gevolg van het feit dat de Broederschap zich presenteerde als een (niet kerkelijke) instelling die zich inzette voor de armenzorg, maar was misschien ook te danken aan de invloedrijke heren van Den Ham, die evenals verschillende andere heren katholiek bleven en 100 jaar later ook grond beschikbaar stelden om onder de bescherming van hun kasteel weer een kerk te bouwen.

Er werd destijds door de overheid wel geregistreerd welke eigendommen er nog in het bezit van kerkelijke instellingen waren en welke inkomsten daaruit werden ontvangen. In het archief van de Staten van Utrecht (HUA StvU 938) bevindt zich een “Inventaris van de gheestelijke goederen in den cleijnen steden ende ten plattelande van Utrecht” (1582-1585). Hierin is vermeld:

“Incomen van de goederen toebehorende onse lieve vrouwe Broederschap in de kercke van Vleuten.

Claes Heijnrixsz als procuratoer van de broederschap voorszegt verclaert datter toebehoort alsulcke percelen van landen mit die bruijckers pacht ende huijre als hiernae volgt:

In den eersten drie mergen landts; gelegen in de Goijstraet in de gerechte van Vlueten ende gebruijckt worden bij Cornelis Gijsbert Jansz tsjaers voor derthien gulden ende competeert noch etlijkcke jaeren te gebruijcken.

Item noch twee mergen gelegen in de bruijkweer van zaliger Willem van Hijndersteijn ende bij Peter Baers nu gebruijckt worden voor elff gulden en noch etlijcke jaeren te gebruijcken staen. Item competeert die broederschap noch een cleijn huijsken staende in ‘t dorp van Vlueten ende bij de pastoir bewoint wordt pro nihilo.”

In 1593 werd door een commissie, die ingesteld werd door de Staten van Utrecht en waarvan ook Jonkheer Frederick van Zuijlen van Nijevelt deel uitmaakte, een verslag uitgebracht getiteld: “Verbael van ‘t gebesoigneerde in de visitatie der kercken ten platten lande in ‘t Sticht van Utrecht” (HUA BMGH HiSI.Gen.Bib V66). In dit visitatie verslag van 1593 wordt onder Vleuten vermeld: “Hier en is geen pastorie, maer de breurschap van onse L.Vrouwe heeft zeeckere wooninge. Item 25 gld. jaerlijx incomen van lantpacht ende anders, ende noch eenige juwelen, die se op haere maeltijt van eenige continuele dagen plegen te vertonen.”

Hieruit blijkt dat in die tijd de broeders nog maaltijden hadden op enkele achtereenvolgende dagen.

De hiervoor vermelde “juwelen” van de Broederschap zijn waarschijnlijk de twee kelken, die bij de maaltijd gebruikt werden en die tot nu toe bewaard zijn gebleven. De ene was een glazen kelk met zilveren voet en de andere een glazen kelk waarop een wapenschild is aangebracht. Volgens de overlevering werd een kelk gebruikt bij de intreding van nieuwe leden, die een volle beker wijn moesten leegdrinken.

In het midden van de 17e eeuw of misschien al eerder werden de jaarlijkse twee “teerdagen” teruggebracht tot ??n dag en in 1667 werd door de broeders besloten dat de kosten van de maaltijd op de rekendag, die tot dan uit de inkomsten van de broederschap werden betaald, voortaan voor eigen rekening van de deelnemers zouden komen. Dit had het onbedoelde gevolg dat verschillende broeders niet meer deelnamen aan de broederschapsdag. In het begin van de 18e eeuw werd vastgesteld dat ieder die bij het vriendenmaal ontbrak met een rijksdaalder zou worden beboet. Wat later werd de maaltijd op de rekendag in het geheel niet meer gehouden.

Op 11 juli 1748 werd besloten dat “om reedenen die maaltijd nu sederd eenige jaren cesserende is, die boeten vervolgens worden gemoderneert waaromme is goedgevonden en verstaan dat in het vervolgh bij den absente broeder ten behoeve van de Broederschap sal werden verbeurt 25 stuijvers” (= 1 gulden 5 stuivers). Ook dit had niet het gewenste resultaat en er moest zelfs iets gedaan worden om de broeders op de rekendag bij elkaar te krijgen. Op 23 mei 1769 werd daarom vastgesteld dat “de broeders op den dagh van de jaarlijkse rekeningh des namiddags ten vier uuren precies present sullen moeten sijn op een boete van ses stuijvers te verbeuren bij ieder van de broeders die alsdan niet present sullen weesen en sal vervolgens de rekening ten half vijf uuren worden gedaan.”

In die tijd genoten de katholieken wat meer vrijheid in de uitoefening van de godsdienst en op 28 mei 1771 werd door de broeders bij meerderheid van stemmen besloten “dat den pastoor van Vleuten ‘s morgens om 9 uuren een mis zal doen voor de afgestorven broeders en dat ieder daar present sal moeten weesen in de gestoelten, op een boete van ses stuijvers bij ieder van de broeders die niet present sullen weesen ten behoeve van de armen van de Broederschap verbeuren.” De op 11 juni 1748 en 23 mei 1769 vastgestelde boeten bleven daarbij gehandhaafd.

In 1791 werd verordend dat “als een der broeders komt te sterven, de eerwaarde pastoor van Vleuten daags na de uitvaart van den overledene, des ochtends om 9 uur, een H.Mis van Requiem zal doen met 12 brandende waskaarsen en dat op boete van een gulden alle leden daarbij tegenwoordig moeten zijn”.

Volgens de overlevering werd in de begintijd van de Broederschap het overschot van de jaarlijkse maaltijd aan de armen geschonken, maar waarschijnlijk werd er op andere wijze nog wel iets meer voor armlastigen gedaan, want gelovige mensen zorgden toch ook voor hun behoeftige medemensen. In die tijd bestonden er ook meerdere soorten van fundaties, die soms bindingen met de kerken hadden en die sociale doeleinden nastreefden, bv. zorg voor armen of zieken.

In het maart-nummer van Oud-Utrecht van 1971 werd door MW.E.P.Polak-de Booy een artikel geschreven onder de titel “Armenzorg in Vleuten”, dat betrekking heeft op het functioneren van de R.K.Broederschap van Vleuten in de l8e eeuw. Zij heeft daarvoor o.a. het kerkeboek van de Nederlandse Hervormde gemeente van Vleuten, berustend in het Utrechts Archief, nagegaan. Een groot deel van dat artikel wil ik hierbij graag overnemen.

“In een visitatierapport van 1593 lezen we dat er toen een gilde in Vleuten was, waarvan de leden een jaarlijkse maaltijd hielden, waarop enkele juwelen getoond werden die eigendom waren van het gilde. Het inkomen was ongeveer 25 gulden per jaar, blijkbaar ruim voldoende om de onkosten te dekken. In 1621 was er wat veranderd, zoals blijkt uit een mededeling van de toenmalige predikant van Vleuten op de classis-vergadering in Utrecht. Het inkomen was gegroeid tot 30 gulden, en het werd besteed “tot profijt der ‘armen”. Wanneer we bedenken dat in die tijd van gereformeerde zijde pogingen werden gedaan om het inkomen van gilden en broederschappen te algemenen nutte aan te wenden, in plaats van dat “onnut verbrassen”, is het niet moeilijk om te begrijpen wat er gebeurd was. Om baas in eigen huis te blijven had de broederschap aan de buitenwereld doen weten dat armenzorg haar voornaamste doel was. Dat was niet uitsluitend camouflage, want er werd wel degelijk veel voor de armen gedaan. Zo veel, dat ook buitenstaanders dit gilde de aangewezen instelling gingen vinden om geld of goederen aan na te laten, in de wetenschap dat dit goed besteed zou worden. In het begin van de achttiende eeuw scheen het gilde zelfs zijn zuiver katholiek karakter verloren te hebben, want het telde ook enige gereformeerden onder haar leden.”

“In 1732 kreeg de gereformeerde gemeente in Vleuten een verzoek van het gerecht om iets bij te dragen tot onderstand van een Vleutense jongen die in Utrecht in het dolhuis was opgenomen. De kosten waren te hoog om geheel ten laste van het dorp te komen: 80 gulden per jaar. Als de diakonie nu eens 20 gulden bijdroeg? Goed, zei de kerkeraad, voor dit ?ne jaar willen we het wel doen, omdat jullie zoveel uitgaven hebben moeten doen om de jongen in de kleren te steken. Maar er is ??n voorwaarde: de O.L.Vrouwen Broederschap moet evenveel bijdragen, anders doen wij het niet. Hierop volgde een vergadering in het rechthuis, met vertegenwoordigers van zowel broederschap als kerkeraad.

Woordvoerder van de eerste was de brouwer Hendrik van Bijlevelt, een der voornaamste katholieken van het dorp en hoog aangeslagen in de belasting. Al direct stelde hij zich op tegenover de predikant, Jacobus Vlaer, en er kwam een felle discussie.

Nu moet men weten dat Jan Joosten, de jongen waar het om ging, wel van gereformeerde huize was. Hij was echter geen lidmaat en hoorde dus tot de zogenaamde buiten-armen. In veel dorpen lag de situatie zo, dat katholieke en gereformeerde lidmaten ieder bij hun eigen diakonie voor steun terecht konden, terwijl de buiten-armen of bij het gerecht konden aankloppen, ?f bij een van die nog uit de tijd van de middeleeuwen stammende fundaties voor armenzorg, doorgaans Heilige Geest tafels genoemd. De dominee zag in de Vleutense broederschap ook zo’n min of meer neutrale instelling en voelde zich in die mening gesteund door het feit dat sommige gereformeerden aanzienlijke bedragen aan de broederschap hadden nagelaten. Dat zouden zij niet gedaan hebben als het een puur katholieke organisatie was.

Zo eenvoudig lag het in Vleuten toch niet. Om te beginnen was er geen roomse diaconie. Neen, zei Bijlevelt, de roomse armen worden gesteund door de broederschap of door het gerecht.

Dominee: “Wat geen diaconie? Wat doe je dan met je aalmoezen?”

Bijlevelt: “Die zijn er niet”.

Dominee: “Geen aalmoezen? Waar is dan die lade voor die zondags in jullie kerk rondgaat?”

Bijlevelt: “Voor de pastoor”.

Dominee: “Maar er is toch al een bus waarmee je bij de huizen geld inzamelt voor de pastoor, en nog een tweede voor het onderhoud van de kerk, geef je dan nooit aalmoezen? Dat bestaat toch niet, een christelijke gemeente die niet aan de armen denkt?”

Bijlevelt: “Toch wel, ik geef elke donderdag aan de passanten uit Utrecht, die hier op die dag gewoonlijk komen “schoeyen”.

Dominee: “Die? Maar dat is onhebbelijk en godloos volk! Vroeger gaf ik ze ook wel eens wat, uit eigen beurs, maar ze verdrinken alles in dat kroegje, je weet wel, en toen ik dat merkte hield ik er mee op. Ik vind dat je beter kunt geven aan de armen van je eigen dorp, waar je wat van afweet”. Hierop zwegen de roomse aanwezigen, “alsof ze de dominee gelijk gaven”. Maar Bijlevelt hield voet bij stuk en begon een tegenaanval: Waarom had de broederschap niets gekregen uit de nalatenschap van Jan Pronckert, lidmaat van de gereformeerde kerk, die behalve van de diaconie ook onderstand had genoten van de broederschap? Hij voor zich voelde er niet voor aan deze nieuwe zaak mee te werken, zolang er in de oude geen klaarheid gekomen was. Het dreigement van de dominee dat de gereformeerden dan ook niets zouden geven, bracht Bijlevelt tenslotte tot nadenken. Met zijn verklaring “ik zal dan ook geven, dog ook maar voor dit jaer” eindigde de vergadering. De dominee ging naar huis en schreef alles in het kerkeboek, nog v??r zijn gemoed tot rust was gekomen.

Tenslotte betaalde de diaconie niet alleen voor dat ?ne jaar, maar jaren lang, evenals de O.L.Vrouwen Broederschap. De zaak over Jan Pronckert was dan ook tot aller tevredenheid opgelost.

Enige jaren later (in 1740) waren er weer moeilijkheden, ditmaal tussen gerecht en broederschap. Het gerecht had twee rooms-katholieke vrouwen (Marie van den Bergh en Jannetje Gijsen) die om steun kwamen vragen, naar de broederschap verwezen, maar zij werden daar niet geholpen. Schout en schepenen dienden hierover hun beklag in bij de Gedeputeerde Staten en stelden, dat de broederschap de plicht had deze vrouwen iets uit te keren.

In hun verweer maken de broeders duidelijk dat zij deze eis van het gerecht beschouwden als een inbreuk op hun beschikkingsrecht over de goederen van het gilde. Het was hun eigen vrije wil geweest indertijd, dat de inkomsten voortaan gebruikt zouden worden voor armenzorg. Zijz?lf hadden in 1667 beslist dat voortaan de jaarlijkse maaltijd uit eigen zak betaald zou worden. Zijz?lf wilden ook bepalen wie wel en wie niet voor onderstand in aanmerking kwam. Wat die twee vrouwen betreft, die voldeden niet aan hun eisen. Maria van den Bergh was al jaren lang niet in de kerk verschenen; de pastoor had haar uit eigen beurs een schelling per week aangeboden als zij wel zou komen, maar zij had halsstarrig geweigerd. De andere woonde in De Meern en ging in Utrecht ter kerke en kwam dus helemaal niet in aanmerking. Verontwaardigd constateerden zij dat het gerecht maar links en rechts akten van indemniteit uitgaf zonder hun voorkennis, en dan wel de broederschap voor hun onderstand liet opdraaien. Op die manier zou er binnenkort niets meer van het vermogen over zijn.

Het is niet meer na te gaan hoe het met die vrouwen afliep; maar het standpunt van de broeders is wel invoelbaar, vooral wanneer we de geschiedenis van het gilde van het begin af na gaan. Uit een resolutie van de Gedeputeerde Staten van 2 februari 1740 (HUA StvU 264-145) blijkt dat deze “Schout en schepenen nopen de alimentatie te doen”.

Al bij het conflict in 1740 over de twee vrouwen die om onderstand vroegen, krijgen we de indruk dat het gerecht aan het gilde de taak toedacht om speciaal de katholieken te steunen. Niet meer neutraal dus. De broederschap zelf, zo blijkt uit het verweer, vond dat die katholieken dan ook geregeld in de kerk moesten komen en nam aldus de taak op zich van een roomse diaconie, die immers in Vleuten niet bestond. En met de infiltratie van gereformeerden in het gilde was het in de tweede helft van de achttiende eeuw afgelopen.

Heel veel jaren later, in de winter van 1812/1813, zat een andere dominee van Vleuten op een avond in het kerkeboek te lezen. Toen hij zag wat zijn voorganger Jacobus Vlaer had opgeschreven, wreef hij zich de ogen uit. Die O.L.Vrouwen Broederschap zou dus bedoeld zijn om de buiten-armen te steunen? Maar dan hadden zij al jaren lang deze mensen, en ook de hervormde diaconie, te kort gedaan. Hij nam de pen op en schreef een brief op poten aan de administrateurs van de broederschap. In het Frans, zoals dat in die tijd hoorde. Het was het begin van een lange briefwisseling, waarbij vele stukken ter tafel kwamen. Pas in 1815 bracht de vrederechter van het kanton Maarssen een vergelijk tot stand. Waarschijnlijk hield hij er rekening mee dat het gilde ook wel eens legaten van gereformeerden had ontvangen, en wees daarom een achtste van het vermogen (in totaal geschat op 5503 gulden) toe aan de hervormde diaconie. Op 5 februari 1820 werd de laatste betaling gedaan, en daarmee was de O.L.Vrouwen Broederschap weer baas in eigen huis geworden, maar nu voorgoed.”

In de vergadering van de broeders van 3 juli 1821 werd besloten dat in het vervolg geen leden tot de Broederschap zullen worden aangenomen die de R.K. godsdienst niet belijden en dat, ingeval een der broeders van godsdienst zou veranderen, hij dadelijk het lidmaatschap verliest.

In het archief van de Broederschap zijn boeken met de jaarrekeningen bewaard gebleven vanaf het boekjaar 1776/1777, toen Willem Hendrik van Bijlevelt procurator was geworden. In het eerste boek is hij begonnen met de statuten op te schrijven en vervolgens een aantal door de broeders genomen besluiten vanaf 1748 over het verschuldigd zijn van boeten voor het niet bijwonen van de maaltijd en de mis.

Uit de jaarrekeningen blijkt dat er verschillende uitgaven werden gedaan voor armenzorg, in geld en in natura, b.v. door het verstrekken van brood en turf. In het jaar 1776 beliepen die uitgaven een totaal van ruim 476 gulden, in 1777 ruim 205 gulden. Hieruit mag wel geconcludeerd worden dat er in daaraan voorafgegane jaren ook dergelijke bedragen werden besteed.

Vanaf 1794 tot 1809 werd er jaarlijks een bedrag van f 200,- betaald aan het toen fungerende Roomsch Catholiek Armbestuur, waardoor de rechtstreekse armenzorg wat minder werd, doch steun in natura werd nog wel verleend. In de jaren na 1880 werd er jaarlijks in de wintermaanden rond f 300, – aan brood en turf voor de armen betaald. Deze vorm van armenzorg heeft nog tot 1947 plaats gehad

De inkomsten van de Broederschap bestonden uit landpacht, rente van obligaties, grondgeld (erfpacht) en huishuur, waaronder de huur van de broederschapshuisjes, welke huur wegens onvermogen van de huurders vaak niet werd ge?nd of werd kwijtgescholden. Verder werden er nu en dan schenkingen of legaten ontvangen, voor zover nagegaan kon worden in de loop der jaren zo’n f 4.800,- tot begin 1800. Daarnaast werd er jaarlijks nog een bedrag van f 12,- ontvangen van de heren van Den Ham wegens rente van een bedrag van f 400,-, dat door Jonkheer Hendrik van den Borch, de toenmalige heer van Den Ham, in 1696 ten behoeve van de Broederschap werd vastgelegd.

In het hierbij afgedrukte overzicht van de inkomsten en uitgaven van de Broederschap (om de 25 jaar) is te zien welke omvang deze hadden. Ook het bedrag van het bezit aan obligaties e.d. is daarbij vermeld. Alhoewel de waarde van het geld in de 18e en 19e eeuw niet te vergelijken is met de huidige waarde, kan uit dit overzicht wel geconcludeerd worden dat de financi?n van de Broederschap slechts een bescheiden omvang hadden en er bepaald geen sprake was van een kapitaal krachtige instelling.

In 1823 werd het broedermaal weer in ere hersteld. Er werd daarvoor f 45,- door de Broederschap betaald en de dag van de maaltijd werd vastgesteld op tweede dinsdag na St. Petrus en Paulus (29 juni). Uit de uitgaven in 1870 blijkt dat er toen f 60,- werd betaald voor de maaltijd, welke bedrag in 1871 met f 10,- werd verhoogd om in 1881 op f 100,te worden vastgesteld. In 1925 waren de kosten opgelopen tot f 230,-, waarna besloten werd dat nog slechts een deel van de kosten betaald zou worden. In 1947 waren de middelen dusdanig krap, dat besloten werd de maaltijd voor gezamenlijke rekening van de broeders te laten komen. In de vijftiger jaren werd besloten de kosten van de maaltijd weer voor rekening van de Broederschap te nemen.

De verbondenheid met het O.L.Vrouwen altaar in de kerk van Vleuten kwam tot uiting toen in 1885 de nieuwe R.K. kerk in Vleuten werd gebouwd.

De Broederschap besloot toen op haar kosten een nieuw Maria-altaar te laten maken. Hiervoor werd aanvankelijk f 500,- uitgetrokken, maar de werkelijke kosten bleken veel hoger uit te vallen en overschreden de f 2.000, -.

Dit kon de Broederschap niet direct betalen en daarom werd besloten het resterende bedrag in enkele jaarlijkse termijnen te betalen, naarmate er geld over was. Toen dat wat lang duurde werd daartoe een obligatie van f 1.000,- verkocht.

Het altaar, dat tot dan toe los in de kerk stond, wordt verankerd en op 19 mei 1936 komt Mgr Jansen naar Vleuten om het altaar te consacreren. De relikwie?n van de heiligen Damianus en Laetius worden ingemetseld in de altaarsteen.

In 1957 werd een bedrag van f 1.200,- aan de kerk geschonken voor een hek van de doopkapel.

De Broederschap heeft ook iets gedaan voor de plaatselijke gezondheidszorg. Aan de toenmalige vereniging “Het Wit-Gele Kruis” werd in 1931 en 1932 een subsidie verleend van f 50,en van 1933 tot en met 1953 van f 75,- per jaar.

Voor zover de beschikbare middelen niet nodig waren voor het onderhoud van de broederschapshuisjes werden deze vanaf de zeventiger jaren besteed aan algemeen sociale en culturele doeleinden, onder andere voor ondersteuning van werkers in de ontwikkelingslanden afkomstig uit Vleuten en Haarzuilens. zoals pastoor G.J. van der Meer in Brazili?, zuster Chr. Kooijman uit Haarzuilens, zuster de Groot en pater H. Teunissen uit Vleuten, en door steun aan de activiteiten van de vereniging “Aktie voor Aktie” (financi?le adoptie van kinderen in Brazili?), aan het Johannes Hospitium in Vleuten en de actie van de M.O.V.werkgroep van de Willibrordparochie in de Oekra?ne. Voor laatstgenoemde drie projecten werd ter gelegenheid van het 525-jarig bestaan in 1996 een extra bedrag van f 10.000,- besteed.

Op een ander “sociaal” vlak is de Broederschap ook in het recente verleden nog actief geweest.

In 1980 werd een brief aan de gemeente gezonden, waarin werd aangeboden het Kwakelbruggetje over de wetering, tussen Past Ohllaan en Stationsstraat voor rekening van de Broederschap te verbouwen tot een vlak bruggetje, omdat het hoge bruggetje problemen opleverde voor oudere en moeilijk lopende mensen. Dit aanbod werd door de gemeente afgewezen “gelet op het karakteristieke beeld wat deze loopverbinding oplevert in het dorpsbeeld vanaf de Pastoor Ohllaan en de Stationsstraat gezien”. De gemeente zegde wel toe aandacht te zullen besteden aan de begaanbaarheid van het bruggetje.

Er dient ook nog vermeld te worden dat de Broederschap al meer dan 100 jaar een beeft, dat bij offici?le gelegenheden wordt gebruikt. Aan de voorzijde staat een afbeelding van O.L. Vrouwen aan de achterzijde de naam. Omdat het na 100 jaar in een slechte toestand verkeerde werd het enkele jaren geleden gerestaureerd.

Procurators

Zoals uit de oorspronkelijke statuten blijkt werden er uit de leden twee procureurs gekozen, waarvan er elk jaar ??n aftredend was. Deze procurators waren degenen die het dagelijks bestuur uitoefenden en jaarlijks rekening en verantwoording aflegden op de “rekendag”. Omstreeks 1700 vinden we dat de procurator voor het leven wordt benoemd en dat er 2 vice-procurators zijn. In 1903 werd bepaald dat de procurator voor 5 jaar wordt gekozen en in 1905 werd die termijn statutair vastgesteld op 10 jaar.

In verschillende akten die in de loop der tijd zijn opgemaakt vinden we namen van procurators, waarvan er sommigen niet in het archief van de Broederschap doch in akten in andere archieven zijn gevonden. De namen van degenen die in akten vermeld werden zijn:

  • In 1525: Willem Gerritsen en Antonis Herbertsen;
  • In 1558: Jan Nijssoon, wonende op de hofstede Spengen, en Cornelis Gijsbert Jansz wonende op Themaat;
  • In 1579: Claes Henricksz en Gijsbelt Cornelisz van Schoonderwoert;
  • In 1582: C1aes Henricksz;
  • In 1653: Gerrit Joosten van Rijckelijckhuijsen (wonende op Themaat) en Gerrit Henricksz van Bijlevelt (wonende op Alendorp);
  • In 1703, 1710 en 1728: Hendrick Willemsz van Bijlevelt (1671-1749, brouwer te Vleuten, zoon van brouwer Willem Dircksz);
  • In 1753, 1754 en 1761: Jan Cornelis van Bijlevelt (1702-1770, brouwer te Vleuten, zoon van Hendrick Willemsz). Waarschijnlijk waren deze laatste twee Van Bijlevelts al voor het leven benoemd en tot hun dood procurator.

Uit de notulen en andere stukken van de Broederschap blijkt dat procurator waren:

  • 4-6-1776 tot 23-12-1799: Willem Hendrik van Bjjlevelt (1733-1799, brouwer, schepen van Vleuten, zoon van Jan Cornelis);
  • 10-6-1800 tot 13-7-1837: Paulus Martinus van Bijlevelt (1770-1841, heer van Alenvelt,
  • 1811 tot 1820 heer van Den Ham, lid van de Staten van Utrecht, zoon van Willem Hendrik);
  • 13-7-1837 tot 18-10-1895: Simon Petrus Wilhelmus Henricus van Bijlevelt (1816-1895, heer van Alenvelt, wethouder van Vleuten, zoon van Paulus Martinus);
  • 29-10-1895 tot 10-2-1903: Theodorus de Klaver (pastoor);
  • 26-2-1903 tot 29-9-1932: Everardus Johannes van Dijk (1862-1932, eigenaar houthandel en -zagerij, gemeenteontvanger van Vleuten); ???? .
  • 11-10-1932 tot 16-12-1981: Theodorus Gerardus van Dijk (1903-1984, boekhouder/firmant houthandel, gemeente-ontvanger en o.a. penningmeester van het R.K.kerkbestuur, zoon van Everardus Johannes).
  • Vanaf 16-12-1981 is Hubertus Johannes Broekhuijse, tot voor enkele jaren directeur van de Rabobank Vleuten, procurator.

Leden

In de oorspronkelijke statuten werd niets bepaald over het aantal leden van de Broederschap. In 1753 bestond de Broederschap uit 20, in begin 1800 uit 16 en omstreeks 1890 uit 15 leden. In de in 1933 gewijzigde statuten is bepaald dat er, behalve de procurator tenminste 12 leden zullen zijn. In de statuten van 1977 is bepaald dat het aantal leden in de ledenvergadering wordt vastgesteld, met een minimum van 13 leden. Momenteel zijn er 15 leden.

Vanaf het begin van de 16e eeuw zijn de pastoors van Vleuten ambtshalve lid van de Broederschap.

Wie er in de loop der tijden lid van de Broederschap zijn geweest is niet volledig na te gaan. In het archief van de Broederschap komt ??n stuk voor uit 1654, dat ondertekend is door de toenmalige leden. Dat waren:

  • Frederick Uijten Hamme (heer van Den Ham)
  • Isbrandt van Ravenswaeij (heer van Den Eijk)
  • Frederick van Zuijlen van Nijevelt (heer van Den Engh)
  • Jan Adriaensz van Montfoort
  • Gerrit Hendrickx (van Bijlevelt)
  • Jan Gijsbert Baers (?)
  • Gerrit Joosten van Rijckelijckhuijsen,
  • Anthonis Harmans (van Overschie) (smid)
  • Cornelis Sebastiaans van Zijl,
  • Gereit Stevense van Rossem,
  • Claes Splitersz van de Wel,
  • Cornelis de Cruijf
  • Cornelis Gertsen van Rijckelijckhuijsen ,
  • Gert Jansz Spijck.

Verder komen in het archief enkele lijsten met namen van leden voor, met jaar of datum van toelating en soms met datum van overlijden of bedanken, doch deze lijsten zijn niet volledig en beginnen pas in 1730. Later is er ook in notulen van vergaderingen vermeld wie tot lid is gekozen of wie er is overleden. Van sommigen blijkt hun lidmaatschap uit het feit dat zij de jaarrekening ondertekenden of dat zij boeten betaalden voor het niet of te laat in de mis komen, of het niet aanwezig zijn op de rekendag. Van enkelen is slechts vermeld wanneer er na hun overlijden een mis van requiem werd gelezen.

In het boekje van Hofman van 1898 wordt ook een aantal leden vermeld, waarvan verschillende van v??r 1730, waarbij echter geen bron is vermeld.

Een opsomming van de namen van de leden staat afgedrukt op blz 60 e.v. van ons kwartaalblad uit 1999 deel 3.

 

De bezittingen van de Broederschap

door J.W. Schoonderwoerd

Het oudst bekende bezit van de Broederschap was drie morgen land (1 morgen = 0.85 ha) in het gerecht van Vleuten op de Goijstraat (bij het oude dorp De Haar). Het is niet bekend hoe de Broederschap dat land verwierf, maar op 3 april 1525 werden deze 3 morgen door de procurators Willem Gerritsen en Anthonis Herbensen verkocht aan Aleyt van der Borgh, de weduwe van Jonker Bernt van der Haar, die ze gelijk weer in eeuwigdurende erfpacht gaf aan de Broederschap, onder beding dat de Broederschap ten eeuwigen dage zorg moest dragen voor het jaarlijks laten doen van missen voor de zielerust van Jonker Daem van der Haar, diens echtgenote en al hun kinderen

Deze drie morgen land worden als eigendom van de Broederschap vermeld in de belastingregisters van het oudschildgeld van 1536, 1600 en 1686 en zijn dan resp. in gebruik (pacht) bij Anna Willem Janses weduwe, Joris Willemsz aan de Haar en Gijsbert Jansz Veen aan de Haar. Ook in het register van geestelijke goederen (1582-1585) wordt als eigendom van de Broederschap vermeld 3 morgen land in de Goijstraat onder den gerechte van Vleuten, in gebruik bij Cornelis Gijsbert Jansz voor 13 gulden per jaar.

In 1776 was dit land verpacht aan Pieter van Schaik voor f 42,per jaar en in 1799 voor f 44,-per jaar aan Johannes van Niekerk. In 1813 worden deze 3 morgen in een staat van eigendommen vermeld als ?3 morgen bouwland en bos gelegen op de Goijstraat in den gerechte van Vleuten?, die we in 1832 in het kadaster vinden als de percelen gemeente Haarzuilens A 228 (0.04.60 ha bouwland en weg (v.m. Haarpad) en A 229 (0.19.30 ha bouwland) en gemeente Vleuten sectie B 3 (1.37.20 ha bouwland) en B 4 (0.52.10 ha bos). De totale oppervlakte daarvan is 2.13.20 ha dus slechts 2,51 morgen.

Een deel van het in Haarzuilens gelegen land (A 229) werd in 1857 voor f 20,- per jaar in erfpacht uitgegeven aan H.Looijaard in Haarzuilens, die er een woning op liet bouwen.

In 1892 werd dit gehele bezit verkocht aan Baron van Zuijlen voor f 6000,-, waarbij de baron zich verplichtte tot levering van een stukje grond met een huis in het nieuwe dorp Haarzuilens. Dit werden de percelen sectie A 941 (136 m2 huis, schuur en erf) en 947 (134 m2 huis, schuur en erf) aan de Eikstraat, die in 1930 verkocht werden aan resp. Cornelis en Adrianus Verhoef.

In de hiervoor genoemde oudschildgeldregisters komen ook nog als eigendom van de Broederschap voor: 1 morgen land (in 1536), 4 morgen land (in 1536 en 1600 samen met de kerk), en 25 roeden grond met ?een hofstede van 2 of 3 huizen? (in 1536 van de kerk en in 1600 en 1686 van de Broederschap en de kerk).

De hier vermelde 1 morgen betreft ?een acker lands te Vleuten geheten Onser Liever Vrouwenacker?, die echter voor 1579 al werd verkocht, want op 28-3-1579 werd deze door Peter Jansz verkocht aan Henrick Claesz, die hem in 15976 weer verkocht aan Jan Gijsbertsz, schout van Themaat. Deze wordt in het oudschildgeldregister van 1600 ook als eigenaar vermeld.

Van de 4 1/2 ?morgen land, waarvan v??r 1600 Willem van Hijndersteijn en daarna C1aes Petersz pachter was (in 1686 geen eigendom meer) is niet meer gevonden dan de hierna vermelde 2 morgen.

In het eerder genoemde register van geestelijke goederen worden als eigendom van de Broederschap nog vermeld 2 morgen land gelegen ?in de bruyckweer van zaliger Willem van Hinderstein?, gebruikt en nog ettelijke jaren te gebruiken door Peter Baars voor elf gulden per jaar, en een klein huisje in het dorp Vleuten, dat door de pastoor ?pro nihilo? bewoond wordt (ten noorden van de kerk).

De hier vermelde 2 morgen in Hinderstein, waarvan geen verkrijging gevonden werd, werden in 1653 verkocht aan Henrick Zas van Weldam. In de verkoopakte worden Gerrit Joosten van Rijckelijckhuijsen en Gerrit Henricksz van Bijlevelt vermeld als gemachtigden (procurators) van de Broederschap.

Van het kleine door de pastoor bewoonde huisje is verder niets gevonden.

Opmerkelijk is dat in dit register niet vermeld zijn de 25 roeden grond met de daarop staande huizen, die volgens de oudschildgeldregisters van de Broederschap en de kerk waren.

Het is bijzonder moeilijk om iets te vinden over de eigendommen van de Broederschap bij de kerk in het dorpscentrum van V1euten. De 25 roeden grond <? 350 m2) met 2 of 3 huizen zou betrekking kunnen hebben op de huidige huisjes aan de Dorpsstraat nrs 1,3 en 3A, maar de kadastrale oppervlakte daarvan was in 1832?272 m2. Uit de archieven blijkt echter niet duidelijk welke gronden van de kerk waren en welke van de Broederschap. Dat deze 25 roeden in 1536 als eigendom van de kerk werden vermeld en in 1600 als eigendom van ?de procurators van de Broederschap en de kerk? en in 1686 als eigendom van ?de Broederschap en de kerk? zou er op kunnen wijzen dat deze grond op enigerlei wijze door de Broederschap van de kerk is verkregen. Bij latere eigendomsoverdrachten van de huisjes Dorpsstraat 3 en 3A wordt ook omschreven dat ze staan op grond van de Broederschap. De latere aanbouw aan de achterzijde vond echter ook plaats op grond van de Broederschap maar is, volgens de latere kadastrale tekening, een uitstulping in de grond van de kerk.

Er was echter nog meer grond van de Broederschap. De grond waarop het rechthuis (later het Oude Raadhuis) stond, was tenminste voor een deel eigendom van de Broederschap, waarvoor jaarlijks een grondgeld (erfpacht) werd betaald van 20 stuivers of f 1.-. In een transportakte van het rechthuis van 28-6-1595 is vermeld dat er voor de grond jaarlijks een erfpacht van 28 stuivers aan ?den pastorije? eo van 20 stuivers aan ?die Ons Lief Vrouwen Broederschap? verschuldigd is. In een koopakte van 2-1-1744 wordt vermeld dat de grond belast is met ?een oud eijgen groot eene gulden, de Broederschap van Vleuten daar aan competerende?. De hier bedoelde gulden werd jaarlijks in de boekhouding verantwoord tol 1884, toen deze erfpacht door de toenmalige eigenaar Matthijs van Dijk afgekocht werd voor f 20,-.

Nergens is nog gevonden wanneer de 4 huisjes (nu Dorpsstraat 1) gebouwd werden en wanneer deze of de grond eronder eigendom van de Broederschap zijn geworden. Op een landmeterstekening van 1599, waarop ter ori?ntering een schetsje van de bebouwing bij de kerk is opgenomen, staan tussen de Dorpsstraat en de kerk nog geen huizen, terwijl in een soortgelijke schets van een landmeter uit 1624 het rijtje huizen wel is ingetekend. Andere tekeningen van de dorpskern zijn echter nog niet gevonden, zodat er nog wel wat vraagpunten overblijven. Vraagpunten zoals: waar het huisje van de Broederschap stond dat door de pastoor bewoond werd, en ook waar het ?Baghijnhoff? bij de kerk van Vleuten heeft gelegen, waarop ooit 2 huisjes stonden, die daar door twee weduwen werden gebouwd en die na hun dood rond 1530 eigendom van de kerk werden.

In 1560 blijkt Jan Aelbertsz 2 morgen land in de Goeijstraat en 2 morgen land in de Bocht (bij de Bochtdijk) in erfpacht van de O.L.V.Broederschap te hebben, die hij op 2-1-1560 transporteert aan Cornelis Gijsbert Jansz te Vleuten?. Op 28-12-1579 transporteert de Broederschap (procurators Claes Hendricksz en Gijsbert Cornelisz van Schoonderwoert) 4 morgen land ?geheten die Bocht? ten zuiden van de Bochtdijk aan Cornelis Gijsbert Jansz van Wel op Themaat?. Waarschijnlijk zijn dat de hiervoor vermelde 2 en 2 morgen, want die komen verder niet meer als eigendom van de Broederschap voor.

In 1710 kocht de Broederschap van C1aes Gijsbertsz van Montfoort, echtgenoot van Gijsbertje Jans van den Engh, 4 morgen land op Vleuterweide, genaamd de Kerckekamp. Deze naam kreeg dat land in de tijd van v??r 1476, toen het eigendom was van de kerk van V1euten

In 1832 was dit land kadastraal genummerd sectie C nummers 172 en 173, resp. 1.58.70 ha en 1.62.70 ha groot, dus samen 3.21.40 ha oftewel 3,8 morgen. In 1776 werd dit land voor f 44,- per jaar verpacht aan Claes van Nes en in 1799 betaalde diens weduwe f 60,- per jaar. Dit land bleef tot 1960 eigendom van de Broederschap. Toen werd het verkocht en in ruilverkavelingsverband overgedragen aan J.Kromwijk

In 1754 verkreeg de Broederschap in eeuwigdurende erfpacht van Hermanus van Wijk, advocaat in Utrecht, een stukje grond met een huis gelegen in de Proostenkamp tussen de vroegere Parkweg en de Vleutense wetering ten westen van de Themater Vaart of Nieuwe Vaart’?. De erfpachtscanon bedroeg (volgens de boekhouding) in 1777 f 4,- per jaar. Het huis was toen verhuurd aan Nol van den Bosch en de huur van huis en grond bedroeg f 25,- per jaar. Kadastraal was het perceel in 1832 genummerd A 54 (540 m2 tuin) en 55 (290 m2 huis en erf) en toen volledig eigendom. In 1880 werd het verhuurd aan Jan Stigtenaar en in 1909 aan diens schoonzoon Cornelis (Kees) Mandjes. Het huis was toen genummerd Parkweg A 95.

In 1911 werd er nog een huis aangebouwd en werd het perceel gesplitst in A 1519 (725 m2 huis, schuur, tuin) en 1520 (105 m2 huis en erf). In 1926 werd het perceel A 1519 verkocht aan W.J.Vermeent (385 m2 huis en erf) en P. van den Bosch (340 m2 tuin). Aan de verkoop aan Vermeent, een schoonzoon van Kees Mandjes, was de voorwaarde verbonden dat Mandjes het tot zijn dood zou kunnen blijven huren. In 1955 werd het perceel A 1520 eveneens aan W.J.Vermeent verkocht.

In 1758 verkreeg de Broederschap als legaat van Gert Brienen van Bunnik, die getrouwd was met Arnolda Wissink en die geen kinderen had. 3 huisjes gelegen tussen de kerkweg naar Themaat, de tegenwoordige Schoolstraat, en het kerkhof, nu het Torenplein, met een deel van de weg ten westen en een stukje bos ten noorden van de huisjes. De grond waarop deze huisjes stonden was van de kerk en daarvoor werd jaarlijks een grondgeld van f 1,- betaald. In 1884 werd dit voor f 20,- afgekocht. In 1832 waren deze eigendommen kadastraal genummerd sectie B nummers 211 (162 m2 bos), 212 (80 m2 weg), 213 (76 m2 huis), 214 (30 m2 huis en erf) en 215 (24 m2 huis en erf). Deze huisjes werden verhuurd en worden ook wel broederschapshuisjes genoemd (zie hierna).

In 1961 werden deze eigendommen verkocht aan de gemeente Vleuten-De Meem. De 2 huisjes B 214 en 215 staan er nog en zijn nu genummerd Schoolstraat 1 en 3.

In 1773 verkreeg de Broederschap 2 achter elkaar gelegen huisjes in Vleuten, die aan haar bij testament waren vermaakt door Niesje Teunisse van Batenburg, een bejaarde ongehuwde vrouw die daarin sedert 1746 gewoond had. Deze huisjes lagen aan de vroegere Dorpsstraat, nu Pastoor Ohllaan), en zij werden door de Broederschap ook verhuurd. Kadastraal was dit perceel, groot 180 m2, genummerd sectie A nr 84. In 1777 bedroeg de huur van het voorste huisje f 18,- per jaar en van het achterste huisje f 14,- per jaar.

Oudere V1eutenaren zullen zich ongetwijfeld nog het winkeltje van vrouw Massop herinneren, waar de kinderen vroeger voor een cent snoep gingen kopen. Rechts daarvan stond het huis waar de familie Hoogendoom en veldwachter Jan Paul woonden en links ervan de kapperszaak van De Roos. In het huis achter de familie Massop woonde Willem de Groot. In 1961 werden deze woningen door de gemeente onbewoonbaar verklaard en in 1965 afgebroken. In 1973 werd de grond verkocht aan G.P.Boogaard en C.W.Wolters en werden daar winkels gebouwd.

Volgens het kadaster had de Broederschap in 1832 ook nog een huis met erf in Vleuten, tussen de Dorpsstraat en de wetering, sectie A nr 63, groot 240 m2. Er is nog niet gevonden wanneer zij daar eigenaar van geworden is, maar vanaf 1779 werd daarvoor reeds huur ontvangen, eerst van de rietdekker Gijsbert van Berke1 en vanaf 1788 van Gerrit Homberg. In 1822 wordt bij de huur van de toenmalige huurder H.Overzee vermeld ?voor het huis genaamd de zeven oortjes?. Deze naam is verder nergens gevonden. Per 1-11-1824 werd het perceel voor f 7.- per jaar in erfpacht uitgegeven aan de timmerman J.van Huijsen. Bij het opmaken van het kadaster in 1832 werd het perceel ook ten name van J. van Huisen gesteld, maar in 1841 werd dat gecorrigeerd en werd het ten name van de Broederschap gesteld. Het huis werd in 1849 afgebroken. De grond werd toen tegen een canon van f 8,- per jaar voor 99 jaar (tot 1-1-.1950) in erfpacht uitgegeven aan Cornelis Trompert, die timmerman was en er een nieuw huis met schuur op liet bouwen.

In 1896 werd de grond door de Broederschap voor f 120,- verkocht aan zijn zoon Gijsbertus Trompert, die daar toen zijn aannemersbedrijf had. Deze overleed in 1912, waarna het pand eigendom werd van zijn weduwe en later van zijn zoon Cornelis G. Trompert. Deze verkocht het in 1925 aan Gert Bedijs te Harmelen, die het in 1926, toen Dorpsstraat A 102. verkocht aan Cornelis Robertus (Kees) Mastwijk. die er tot 1965 een slagerswinkel had, later genummerd Dorpsstraat 9 (tegenwoordig 14). ]n 1965 werd de slagerij overgenomen door W.J.de Bouter.

Sinds 1973 heeft de Broederschap geen andere eigendommen meer dan alleen de (oorspronkelijk) 4 broederschapshuisjes, thans Dorpsstraat 1, nu verhuurd aan de Historische Vereniging.

Erven van Dueren

Een belangrijk stuk bezit verkreeg de Broederschap uit de nalatenschap van Beatrix van Nes, weduwe van Pieter van Dueren, die aan de Haar woonde. Bij haar testament van 16-2176 wees zij de heer Jan van Bijlevelt, brouwer te Vleuten aan als executeur-testamentair en als administrateur van haar boedelgoederen, en na diens dood zijn zoon Willem Hendrik van Bijlevelt, met bepaling dat, als zij geen opvolger aanwezen, de procurator van de Broederschap het executeurschap en de administratie zou vervullen. Dit gebeurde na het overlijden van Willem van Bijlevelt eind 1799, waardoor Paulus Martinus van Bijlevelt, die op 10-6-1800 procurator werd, het beheer kreeg.

Verder verklaarde zij bij testament van 29-6-1761 de Broederschap aan te stellen tot haar erfgenaam, met dien verstande dat de procurator zich voor wat betreft het beheer van de door haar nagelaten goederen zou moeten handelen als in haar testament was beschreven, n.l. dat de opbrengsten der erflating aan behoeftige familieleden moesten worden uitgekeerd. Voor haar werk kreeg de Broederschap f 25,- per jaar.

Na het overlijden van Beatrix van Nes in 1762 kwam de Broederschap derhalve in het bezit van haar nalatenschap, die bestond uit een boerderij, ten westen van het kasteel gelegen, met 33.51.40 ha land, een huis aan de Lagehaarsedijk met 1050 ca grond, een huis in het oude dorp De Haar met 250 ca grond, en 5.60.50 ha land onder Harmelen (Gerverscop).

In het kadaster werden deze landerijen in 1832 vermeld als eigendom van de Erven Beatrix van Dueren, doch dit werd in 1897 gerectificeerd en toen werden ze ten name van de R.C.Broederschap van Vleuten gesteld.

Van het verkrijgen van deze eigendommen is de Broederschap bepaald niet rijker geworden. Omdat de opbrengsten dus niet ten goede kwamen aan de Broederschap, betekende dit bezit eigenlijk alleen maar extra werk van het beheer tegen een vergoeding van F 25,- per jaar, wat in de 18e eeuw nog wel iets betekende, maar in de 20e eeuw maar een klein bedrag meer was. ?In 1935 werd er daarom f 100,- en in 1950 f 200, door de Broederschap in rekening gebracht.

De eigendommen in Haarzuilens zijn in 1898 geruild met Baron van Zuylen van Nijevelt van de Haar tegen een boerderij met 25.78.19 ha land op Ockhuizen en een boerderij met 18.22.40 ha land aan de Thematerweg (nu Smalle Themaat). Het land in Harmelen werd in 1918 verkocht aan W.Th.Stolwijk te Harmelen.

Om duidelijk te laten uitkomen welke eigendommen van de Erven van Dueren waren, omdat de opbrengsten daarvan uitgekeerd dienden te worden aan familieleden van de erflaatster, werd in 1938 een Stichting Fundatie Erven van Dueren opgericht. Op naam van welke stichting de voormelde eigendommen toen werden gesteld.

De hiervoor vermelde, uit de ruil met Baron van Zuylen verkregen boerderij aan de Ockhuizerweg werd in 1961 verkocht aan de Gebrs. van Dijk. Van de boerderij op Themaat werd in 1972 een stukje grond verkocht aan G.Drapers en de rest in 1980 aan H.C.de Bruin.

In 1938 kocht de Fundatie Erven van Dueren van het RK.Kerkbestuur een stukje grond aan de Dorpsstraat, waarop zij 2 woningen liet bouwen (nu Past.Ohllaan 29 en 31), die verhuurd werden. Op nr 31 heeft de toenmalige procurator Th.G.van Dijk van 1971 tot 1982 nog met zijn zusters gewoond. Deze woningen werden in 1992 verkocht.

De Fundatie heeft daadwerkelijk geen onroerende goederen meer in bezit, maar alleen geldelijk vermogen, waarvan de opbrengsten worden gebruikt om haar doel te verwezenlijken.

De broederschapshuisjes

Zoals uit het voorgaande blijkt zijn niet alle huisjes, die Broederschapshuisjes worden genoemd, van de Broederschap geweest. We kunnen hierbij onderscheiden:

de oorspronkelijk 4 huisjes, die van ouds van de Broederschap zijn geweest en nu genummerd zijn als Dorpsstraat 1:

de 3 huisjes, die van ouds particulier bezit zijn geweest en nu genummerd zijn Dorpsstraat 3, 3A en 5:

de oorspronkelijk 3 huisjes, later 2 huisjes met een complex schuurtjes, die in 1758 eigendom werden, van de Broederschap, in 1961 werden verkocht aan de gemeente en nu genummerd zijn Schoolstraat I en 3.

Dorpsstraat 1

De vier huisjes, nu bekend als Dorpsstraat 1, zijn sinds zij rond 1600 in het bezit van de Broederschap kwamen tot 1954 altijd door de Broederschap verhuurd als armenhuisjes en als zodanig is er in 350 jaar praktisch niets veranderd.

Toen in 1987 het stucwerk van de oostelijke buitenmuur werd afgebikt om vernieuwd te worden bleek dat er in die muur verschillende soorten metselwerk voorkwamen, waaruit geconcludeerd kan worden dat er vroeger in die gevel wellicht ook een raam of deur heeft gezeten.

Overigens moeten we er vanuit gaan dat deze huisjes in de loop der eeuwen wel wat veranderingen hebben ondergaan, want waarschijnlijk waren het – zoals hiervoor al werd beschreven oorspronkelijk 2 of 3 houten huizen, die pas op een later tijdstip van steen zijn opgetrokken en tot 4 huisjes zijn omgebouwd.

In het meest rechtse huisje is vroeger een soort kelderruimte met opkamertje geweest, wat geconcludeerd kan worden uit de aanwezigheid van een kelderraam in de voorgevel, dat pas in het recente verleden (?. 1946) dichtgemetseld is, toen in de voorgevel naast het oorspronkelijke raam ook een tweede raam werd gemaakt.

In 1954 werd het 2e huisje (van rechts bezien), toen genummerd Dorpsstraat 24 en laatstelijk bewoond door Gerardus van den Bosch en daarvoor van 1902 tot 1938 door Hendrika Gerarda (Drika) de Reuver, verhuurd aan de R.K. bibliotheek in Vleuten, die daarin de bibliotheek genaamd het Boeckhuijs ?De Pomp? vestigde. De bibliotheek kreeg het huisje om niet in gebruik, als subsidie.

In 1960 werd het eerste huisje, toen genummerd Dorpsstraat 26, eveneens verhuurd aan de R.K. bibliotheek, die daarmee haar vestiging uitbreidde. Dit huisje werd vanaf 1908 (tot 1937 met zijn zuster Kee) tot zijn dood in 1945 bewoond door Hendrikus Johannes \Henk van Husen, de vuilnisman van de gemeente, daarna nog 5 jaar door Theodorus Vonk en laatstelijk tot 1960 door Geertruida van de Bilt-Batenburg. Voor de twee samengevoegde huisjes betaalde de bibliotheek toen f 7.- per week.

Het 3e en 4e huisje, vroeger genummerd A 91 en 92, werden in 1900 tesamen verhuurd aan Geertrui Bok, weduwe van de in dat jaar overleden Johannes Ram, die er een kruidenierswinkeltje in vestigde. Zij woonde daar eerst met 7 jonge kinderen en later met haar zoon Hendrikus (Henk) Ram, die loopknecht was. In het begin van 1900 kreeg het huis nummer A 110 en omstreeks 1930 nummer A 100. In 1925 trouwde Henk met Ida Johanna Drost en namen zij het winkeltje over. In 1930 kregen Henk en zijn vrouw een dochter, Geerruida Maria (Truus), die waarschijnlijk het enige kind is dat ooit in de broederschapshuisjes werd geboren. In 1939 werd het huis verhuurd. Er werd toen ook een wc in gemaakt en de deur van het derde huisje werd vervangen door een raam in dezelfde stijl als de overige ramen. Het oorspronkelijke raam van het 4e huisje was al omstreeks 1925 vervangen door een wat groter raam dat als etalage van de winkel diende.

Oudere Vleutenaren kunnen zich misschien deze etalage nog herinneren, die in de sinterklaastijd vol stond met speculaaspoppen en allerlei gekleurd suikergoed. Ook in de huiskamer werd toen snoepgoed tentoongesteld. In 1950 kreeg dit huis het nummer Dorpsstraat 22.

In 1964 verhuisde Henk Ram en zijn vrouw naar het bejaardencentrum en werden deze oorspronkelijk 2 huisjes ook aan de bibliotheek verhuurd, die toen het gehele complex van 4 huisjes als bibliotheek in gebruik nam. Daartoe werd eerst nog een verbouwing uitgevoerd, waarbij tussenmuren werden verwijderd en het winkelraam weer in zijn oorspronkelijke toestand werd teruggebracht. Er werden toen ook een toiletruimte en een keukentje in gebouwd, waarvoor een buitendeur aan de achterzijde werd dichtgemetseld en een nieuw raam werd gemaakt. Nadat de bibliotheek in 1972 een nieuwe ruimte kreeg in het winkelcentrum bleven de huisjes nog in gebruik als discotheek en artotheek.

In 1988 kreeg de bibliotheek de vroegere R.K.kleuterschool aan de Paddenaar ter beschikking en verliet zij haar vestiging aan de Dorpsstraat. Vanaf 1 augustus van dat jaar werden deze Broederschapshuisjes verhuurd aan de Historische Vereniging, die daar nu in gevestigd is en er haar documentatiecentrum en expositieruimte in heeft. En daarmee heeft dit historische pand een waardige bestemming gekregen.

Dorpspomp

Bij deze broederschapshuisjes moet ook nog vermeld worden dat v??r het 2e huisje jarenlang een dorpspomp heeft gestaan. V??r 1870 lag er voor de huisjes een open welput, waar de dorpsbewoners water uit konden putten. Ter voorkoming van watervervuiling en om gemakkelijker water te kunnen krijgen werd daar rond 1870 een pomp op geplaatst

In 1895 werd door de Broederschap aan de gemeente vergunning verleend om op de grond van de Broederschap een z.g.n. Northonpomp (grondwaterpomp) te plaatsen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Het water uit deze pomp was bepaald niet geliefd bij de inwoners, want het opgepompte water was weliswaar helder maar sterk ijzerhoudend, waardoor het snel bruin werd en tot verkleuring van de was aanleiding gaf. De gemeente betaalde toen aan de Broederschap f 15.- per jaar voor het hebben van deze pomp, welk bedrag in 1904 werd verlaagd tot f 10,- per jaar, wat nog tot en met 1947 werd betaald.

Deze dorpspomp was een markant herkenningspunt en ook ontmoetingspunt in het oude dorpscentrum, waar de inwoners hun drinkwater kwamen halen, maar waar ook, zoals door Drika de Reuver, de was werd gespoeld en de po werd geleegd.

Rond 1930 werd de handgezwengelde pomp gesloopt en vervangen door een kleiner gemetseld bouwsel met een drinkwaterkraan, dat er tot 1948 heeft gestaan.

Om een beeld te schetsen van wat er ruim 100 jaar geleden speelde en onderwerp van bespreking was in de vergadering van de broeders, citeer ik hier nog iets uit de notulen van de vergadering van 14 juli 1891: ?Verder werd behandeld een voorstel van G.H.Lenssinck om een privaat te maken voor de bewoners der huizen van de Broederschap. De procurator (van Bijlevelt) is geheel tegen dit voorstel, omdat: er vroeger jaren aldaar bij de Broederschapshuisjes een privaat heeft gestaan, die door de bovengemelde bewoners gebruikt werd. Maar door de misbruiken, welke aldaar plaats hadden en de onreinheden die men daar aantrof groote walging en afschuw verwekte en alzoo niet meer te gebruiken was en geamoveerd moest worden. Wil men nu aldaar een privaat stellen en iemand belasten met de sleutel om de aanvragenden gelegenheid te geven er gebruik van te maken dan mag die persoon wel een behoorlijk tractement hebben om aan die verplichting te voldoen, want gratis zal men niemand daarvoor vinden.? Met deze argumentatie hebben de broeders kennelijk genoegen genomen, want er kwam toen geen privaat. Er blijkt niet uit waar de bewoners toen hun behoeften moesten doen.

Dorpsstraat 3, 3A en 5

Deze huizen worden, zoals hiervoor werd vermeld, ook wel broederschapshuisjes genoemd, maar eigenlijk ten onrechte, want zij zijn nooit van de Broederschap geweest, maar van ouds particulier eigendom.

De nummers 3 en 3A werden, als ??n woning, vermoedelijk rond 1600 gebouwd, op grond van de Broederschap, waarvoor jaarlijks 1 gulden en 10 stuivers (= f 1,50) grondgeld betaald werd. Als eerste eigenaar is bekend Comelis Petersz, die kleermaker was en getrouwd was met Geertgen Adriaen Knijffsdochter, die daar in 1614 al woonde.

In 1640 heeft Cornelis Petersz zijn huis verkocht aan zijn zoon Peter Cornelisz, die evenals zijn vader kleermaker was.

In 166913 verkocht Peler Comelisz zijn huis aan zijn zoon Herman Petersz, die getrouwd was met Neeltje Jochums en die het kleermakersberoep van zijn vader en grootvader voortzette. Vermoedelijk is Herman in 1707 overleden, want op 9 november 1707 werd zijn huis door de voogden van zijn minderjarige kinderen verkocht aan Jan Gijsbersz van Veen, die het op dezelfde dag doorverkocht aan Hendrick Hagedoorn, die chirurgijn in Vleuten was.

Het is niet bekend of Hendrick Hagedoorn zijn chirurgijnswinkel in dit huis had of elders in het dorp (daarvan is niets gevonden), maar kennelijk had hij ruimte over, want in 1711 verkocht hij het oostelijk deel (nu Dorpsstraat 3) aan Cornelis Teunisz Back’.

Cornelis Back verkocht het in 173926 aan Anthonij Kippersluis, die er niet zelf woonde, maar het verhuurde. Vervolgens werd het in 1761 TI verkocht aan Jasper van den Berg, die er een schuurtje achter bouwde, in 1789’8 aan Antonie Beukers, in 1815 aan Bernardus Kok, wiens zoon Marcelis Kok het in 1852 erfde en die het in 187119 voor f 550,- verkocht aan Simon Petrus Wilhelmus Hendrikus van Bijlevelt, toen procurator van de Broederschap. Deze kocht in 1884 de jaarlijkse grondlast aan de Broederschap af.

In 1895 verkreeg Pouwlina van Bijlevelt (die getrouwd was met Hassan Tahsin Iskora, ook wel ?de Turk? genoemd) het huis als erfenis van haar vader en na haar overlijden werd het in 1947 eigendom van de Van Bijlevelt Stichting. Deze verkocht het in 1952 aan Dirk van Selm in Vleuten, die het in 1962 verkocht aan de gemeente Vleuten-De Meern. Vanaf 1917 werd dit huis verhuurd aan Frans van Dijk, die vele jaren postbode in Vleuten was en die in 1972 overleed, waarna zijn weduwe er nog tot 1977 in woonde. Laatstelijk voor de renovatie woonden daar Antonius A.Zaal (tot 1982) en Egbertus G.Melten (tot 1990). Sinds 1992 is het verhuurd aan Mw.C. van Haren Noman.

Het huis Dorpsstraat 3A bleef van 1707 tot zijn dood in 1739 eigendom van Hendrick Hagedoorn, daarna tot 1755 van zijn weduwe en laatstelijk van 1761 tot 1764 van zijn enige dochter Henderijn Hagedoorn. Door deze werd het in 1764 verkocht aan Matthijs van Schalkwijk, de kastelein van het Oude Raadhuis, die het verhuurde en in 1802 verkocht aan Dirk Verhugen. In de transportakte wordt het omschreven als ?een kamer of woninge vanouds genaamd de Kelder?. Deze benaming is verder nergens gevonden.

Van Dirk Verhugen, die in 1824 overleed, is het (op een niet bekende datum) overgegaan op de Roomsche Armen (het R.K.Armbestuur), dat het blijkens het kadaster in 1832 in bezit had en verhuurde. Van 1876 tot 1897 is dit huisje nog in twee delen (huisnummers A 94 en A 95) verhuurd geweest.

In 1897 werd het gekocht door Hermanus de Lange, die toen al in bezit was van de woning Dorpsstraat 5 en die er een slagerij in vestigde. Het samengevoegde perceel (3a + 5) kwam in 1937 aan zijn weduwe Cornelia Vulto. Na haar dood in 1951 werd het publiek verkocht, waarbij Johannes M.Jansen eigenaar werd. Deze liet er weer 2 woningen van maken en ging (na het ruim 4 jaar verhuurd te hebben aan Nicolaas H. Wibbeke) in 1956 zelf in het huis nummer 3A wonen tot zijn dood in 1963, waarna zijn weduwe er nog tot 1979 in woonde. In 1961 verkocht hij het huis (samen met nr 5) aan de gemeente Vleuten-De Meern. Deze verhuurde het van 1979 tot 1985 aan Johannes C.P.de Gier en daarna aan MW.Th.C.van Mourik, die er thans nog woont.

De hiervoor vermelde kleermaker Cornelis Petersz heeft al v??r 1614 naast zijn woning, op grond die hij voor ??n gulden en zeven stuivers per jaar van de kerk huurde, het huis laten bouwen dat nu Dorpsstraat 5 is.

In 1632 heeft hij dit huis verkocht aan Egbert Huijbertsz, die schoenmaker was. Deze verkocht het huis in 1640 aan de kleermaker Wessel Gerritsz. Van deze Wessel is alleen bekend dat hij als Wessel Gerritsz Manta in 1647 een hypotheek van f 125, kreeg op zijn huis en dat hij tot en met 1671 ??n gulden en tien stuivers grondgeld betaalde aan de kerk. Van een verkoop is niets gevonden, maar vanaf 1672 werd het grondgeld aan de kerk betaald door Gerrit Jansz de With. Vanaf 1683 werd door dezen geen grondgeld betaald, omdat het huis vervallen was. Of het toen afgebroken werd is niet duidelijk, maar in 1687 staat er in de kerkrekening dat door hem geen grondgeld werd betaald ?voor het erf waar zijn huis op gestaan heeft?. Waarschijnlijk is het daarna weer herbouwd en in 1707 was het eigendom van Hendrick Stijn? en vanaf 1710 werd er weer grondgeld voor betaald. Deze Stijn, ook wel Stip of Stippingh genaamd kwam uit Munsterland en trouwde in 1690 in Vleuten met Grietie Crijnen.

Stijn verkocht het huis in 1749 aan de chirurgijn Willem Lampe die daar zijn beroep niet heeft uitgeoefend maar het verhuurde. Na Wilms dood kwam het in 1777 aan zijn weduwe M.S.Lampe-S1ooth, die in 1778 hertrouwde met Herminus Kok, die toen eigenaar werd (hij woonde aan de overkant van de straat). In 1789 werd het huis verkocht aan Bart Kramer, in 1791 aan Hendrik Mulder en in 1795 aan Adriaan Rosweide. Wanneer deze het heen verkocht is niet onbekend, maar in 1832 was het eigendom van Dirk den Holder, die kleermaker was en daar al in 1811 woonde. In 1857 werd het verkocht aan Antonie Broere en in 1865 aan Wijnand de Lange. die schoenmaker was. In 1897 ging het huis over op diens zoon Hermanus(Mans) de Lange die schoenmaker, barbier en slager was, en het, zoals hiervoor al werd vermeld, samentrok met de woning nr 31, waar hij zijn slagerij in vestigde.

Evenals het huis 3A werd het in 1951 verkocht aan Johannes M.Janszn. die het in 1952 verhuurde aan schilder A.Hoogstratcn. De gemeente Vleuten-De Meern werd in 1961 eigenaar van het huis.

In 1992 werden de huizen nrs 3, 3A en 5 door de gemeente gerenoveerd om ze aan de huidige bewoningseisen te laten voldoen.

Schoolstraat 1 en 3

Zoals al vermeld werd, kreeg de Broederschap in 1758, als legaat van Gert Brienen van Bunnik en zijn vrouw Amolda Wissink, een huis met elf tussen de kerkweg naar Themaat (tegenwoordig SchoolstraaI) en het kerkhof (tegenwoordig Torcnp1ein), welk eigendom was, bezwaard met een jaarlijkse uitgang (grond geld) van f 1.- ten behoeve van de kerk van Vleuten, omdat het op grond van de kerk stond. Deze jaarlijkse last werd in 1884 door de Broederschap voor f 20,- afgekocht.

Dit huis, waarvan niet gevonden is wanneer het werd gebouwd, bestond uit 3 woningen. In 1855 werd ??n van deze woningen afgebroken en op de plaats daarvan werd een schuur gebouwd.

In 1900 werd deze schuur vervangen door een complex van 6 schuurtjes. ten dienste van de 2 overgebleven woningen en de 4 woningen Dorpsstraat 1, toen omschreven als ?de armenhuizen of beter gezegd de Broederschapshuizen?. Deze schuurtjes werden nog enkele malen verbouwd en veranderd.

In 1915 werd er een stukje grond van 4 m2 van het plein ten noorden van de schuurtjes in gebruik gegeven aan de proviciale electriciteitsmaatschappij om er een transformatorhuisje te bouwen ten dienste van de stroomvoorziening in Vleuten. Dit transformatorhuisje is tot in de zestiger jaren een blikvanger in het dorp geweest en geliefd bij de jeugd om er rondom te spelen.

In 1941 werden de 2 woningen door de Broederschap verbouwd en beter bewoonbaar gemaakt. Het naast Schoo1straat I gelegen schuurtje werd binnenshuis met de woning verbonden. In 1961 werden de woningen c.a. door de Broederschap verkocht aan de gemeente Vleuten-De Meern. In 1992 werden ook deze woningen door de gemeente gerenoveerd. Ze worden nog steeds verhuurd.

Al vanaf 1860 of nog eerder had de Broederschap op de grond ten noorden van deze huisjes ook nog een ?aschvaalt?, waar de dorpsbewoners hun as konden deponeren; die door de Broederschap werd verkocht (in 1861 voor f 6.-). In 1872 bepaalde de gemeente dat de as in het vervolg bij de gemeente moest worden gebracht en werd aan de Broederschap f 12.- per jaar betaald als schadeloosstelling voor het gemis van de asvaalt. Deze schadeloosstelling werd tot en met 1895 betaald.

Dreigende afbraak

Tenslotte moet nog vermeld worden dat de tegenwoordige huisjes, die op de monumentenlijst van het rijk zijn geplaatst, er bijna niet meer waren geweest. In het begin van de zestiger jaren had de gemeente plannen tot verbreding van de Dorpsstraat ter plaatse van de huisjes. Om deze plannen te realiseren zouden de huisjes afgebroken moeten worden. Daartoe werden de huisjes Dorpsstraat 3-5 en Schoolstraat 1-3 al door de gemeente aangekocht. De Broederschap wilde de 4 huisjes Dorpsstraat 1 echter niet verkopen. Op 28-6-1963 werd door de gemeenteraad het plan van uitbreiding in onderdelen ?kern Vleuten? vastgesteld, in welk plan de nieuwe straatgrens midden door de huisjes liep. Op 11-6-1965 werd dit plan door Gedeputeerde Staten goedgekeurd. De Broederschap ging op 10-8-1965 tegen dit besluit in beroep bij de Kroon, met als gevolg dat het besluit door de Kroon vernietigd werd. Op 3-2-1969 namen Gedeputeerde Staten een nieuw goedkeuringsbesluit waartegen de Broederschap op 23-4-1969 opnieuw in beroep ging. Vanwege het feit dat de huisjes waren opgenomen op de voorlopige lijst van beschermde monumenten werd bij Koninklijk Besluit van 25-5-1971 goedkeuring onthouden aan het door de gemeenteraad vastgestelde plan voor wat betreft de ?aan de noordoostzijde van de Dorpsstraat gelegen panden 1, 3. 3a en 5 met de bestemming weg?. De gemeente had intussen de verbredingsplannen aangepast en het uiteindelijk resultaat is dat de huisjes nu nog in hun volle glorie te zien zijn.

 

Statuten van de Broederschap van O.L.Vrouw te Vleuten, vastgesteld op 7 maart 1568.

In der ehren Godts almachtich ende (Maria) sijnre ghebenedide liever moeder Maria, soe is een broederscap gesticht van Onsser Liever Vrouwen in de kercke van Vlueten op Onser Liever Vrouwen outaer, bij wil, rade ende consent heer Aernt Janssen van der Bilt, pastoer van Vlueten, ende bij Vrederick Uuten Ham, Jan Uuten Ham, Henrick van Emskerck. Alfert van der Mije, Barnier van Wel ende bij ander veel goeden mannen etc. Geschiet in ‘t jaer ons Heeren duijsent vier hondert een ende tseventich den 21en dach in April. Nu [wederomme] in den jaere 1500 acht ende tsestich den 7en dach Meert, soe is dese fondatie wederomme vernieuwet doer versletenheit van der voerscreven fondatie, ende bij wil, rade ende consente van den erentfesten ende vromen ende edelen joncker Vrederick Uuten Eng, joncker Johan Uuten Ham, Gijsbert Cornelissen Uuten Wael, gesubstitueert scout tot Vlueten, Cornelis Cornelissen, scout van Temaet ende kerckmeister nu ter tijt tot Vlueten, Gijsbert Janssen van Wel, scout van de Haer, Jan Nijssoen, woenende op Spengenre hofstede, ende Cornelis Gijsbert Janssen, procuratoers van den voerscreven broederscap, Cornelis Cornelissen Poel op Spijck ende Henrick Tonissen, alse kerckmeisters nu ter tijt tot Vlueten, ende meer andere goede mannen etc.

Item in den eijrsten soe sal men ter eeren van Onsser Liever Vrouwen alle Sondaechs doen een misse op Onsser Liever Vrouwen outaer nae die getijden van den daege voer alle broeders ende susters die levendich off doot sijn, ende nae de misse soe sal derselver priester aff gaen van den oulaer ende lesen “Miserere mei Deus” ende “De profondis” mit sijn toebehoeren.

Item soe salmen noch alle week op ten woensdach doen een singende misse van Onsser Liever Vrouwen op Onsser Vrouwen outaer voor allen broederen ende susteren, zij sijn levendich offte doot, ende nae de misse soe sal den priester aff gaen van den outaer ende lesen “Miserere mei Deus” , ende “De profondis” mit sijn toebehoeren als voerscreven staet.

Item soe sullen de broederen ende susteren, die in der voerscreven broederscap sijn, eens jaers te saemen eten op enen voerghenoemden dach ende des anderen daechs sellen sij kiesen enen procuratoer ende enen sal der blijven: ende die sullen te saemen allen dinghen besorgen en ordineeren, ende allen gelden ende ongelden ende testamenten ontfangen ende uuytgeven tot profijte der broederscap; ende soe wat broeder ende suster dan daer op die maeltijt niet en coempt, die sal gehouden wesen alsoe veel te gelden ende te geven als degheen, die gecommen sijn; ende in geval dat sij daer onwillich inne sijn omme dat te betaelen, soe sullen de procuratoers in der tijt dat tselfde terstondt moegen doen uuythaelen mit een pander des Hooffs van Utrecht, sonder sijluijden daerteghens ijet te oposeeren off teghens te doen.

Item des anderen daechs, als des maenendaechs, soe sullen alle broederen ende susteren ter kercke commen ende soe sullen de procuratoers in der tijt daer laeten doen een vigilye van negen lessen mit opstekende neghen barnende waskeerssen, mit doende een singhende misse van requiem voer allen broederen ende susteren ziellen, sij sijn levendich off doot, waervan de procuratoers sullen geven den pastoer twe stuever, den onderpriester ende coster elcx een stuever; ende nae de misse eer dat sij aen den maeltijt gaen, soe sullen de procuratoers van den verleden jaer hoer rekeninge doen ende bewisinge voor den broederen, die dan daer bij commen, van allen ontfanck, opbueren ende uuytgeven; ende soe wat dan een ijgelick broeder ende suster sal commen te geven, dat sullen sij dan terstondt opleggen ende betaelen, ende indien sij niet en betaelden of ten lanxten binnen 14 daegen daernae, soe sullen de procuratoers in der tijt die penningen moegen uuytpanden ende scatten op enen dach aen alle haer gereetste goederen, sonder enijge oppositije ofte recht ter contrarie te sustineeren.

Item soe wat broeder ofte suster uuyt de voerscreven broederscap sterft, soe sullen de erffgenaemen haer een dertichts nae laeten doen nae ouder ghewoonte, soe veere sij die macht hebben ende believen.

Item noch soe sullen der procuratoers in der tijt voor den geenre, die daer uuyt de voorscreven broederscap gestorven is, laeten houden zijn uuytvaert binnen ‘t yerste maenstondt in de kercke tot Vlueten, mit vigilye van negen lessen, mit opstekende negen barnende waskeerssen mits doende een singende misse van requiem voer die ziell ende allen ziellen, sij sijn levendich ofte doot, van den broeders ende susters voorscreven, mits dat den procuratoers sullen geven den pastoer, onderpriester ende coster gelijckx voerscreven staet.

ltem soe willen wij ende ordineeren, dat alle die gene die in onsse voerscreven broederscap ontfangen sullen worden, goede eerbaer mannen ende vrouwen wesen sullen, die van goede naeme ende fame sijn, mits van elcken broeder ofte suster, daer alsoe incommen ende inghescreven sullen sijn, sullen geven een pondt was ter onderhoudenisse van Goedts dienst, ende alsoe incommende bij believen ende consent der procuratoers in der tijt ende het meestendeel van de broeders en susters voerscreven, ende soe sal men den broeder ofte suster alsdan terstont bij den priester ofte secretarys in doen teikenen; ende soe wie den anderen dach van de maeltijt alsoe incoempt, die sal ter maeltijt moegen blijven sonder dat hij ofte zij yet daer off geven sullen, behoutlicken soe sullen sij after dien verbonden wesen in allen condicyen voerwaarden van dese selffde broederscap te onderhouden, in allen manieren als voerscreven is ende naebescreven sal worden.

Item insgelijck soe wanneer als ijemant, in dese voorscreven broederscap wesende, ende daer begeert uuijt te gaen, dieselffde sal oeck gehouden ende verbonden wesen te geven enen postulaets gulden, alse te weten 18 stuevers, indien ende soe verde sij dat doen ses weken te voeren als die voerscreven broeders ende susters te saemen huaer maeltijt doen; ende ingeval ijemant daer uuytgaet voer ofte nae dat die maeltijt gedaen is, sullen sij insgelijckx geven die voorscreven postulaets gulden ende daerenboven sal hij ofte sij noch betaelen hoer aendeel ende portije van de missen die men in desen broederscap in een jaer doet; ende soe wie anders doet ende hier inne ghebreecke valt ende dil selffde niet en betaelt gelijck voerscreven staet, soe sullen de procuratoers in der tijt dieselffde penningen moegen doen uuijtpanden ende scatten als ‘s Heren accijssen ende dominii, sonder enijge oppositije ofte recht ter contrarije te sustineeren.

Item dat enich van onssen broederen ende susteren, ten tijde als men die maeltijt doet, teghens malcander woerden creghen ende messen toech ofte ijemant quetste ofte mit enich ander feijt van waepenen, ‘t sij kannen ofte stoelen hoedanich het sijn mach, die sal verbueren drie gouwen ecclesije Vranckrijckse schilden tot profijt van de voorscreven broederscap ende daer en boeven, indien hij ofte sij ijemant ghequest hadde, sijn meysterloen te betaelen, ende alsdan noch te blijven aen twee van onsse broederen, die die procuratoers daertoe stellen sullen, ende den priester als een overman, ende dit al bij pene voerscreven.

Item waer ‘t dat enich van onssen broederen ende susteren soe onredelijck waer in woerden, in wercken, ofte te veel willes woude hebben in den voorscreven broederseap, dat het den broederen verdoocht, ende die procuratoers hem ofte huer dat zeide, ende dan niet off en lieten, soe mueghen hem die procuratoers off te broeders off dat merendeel van dien hem ofte huer uuijt den broederscap setten ende sij sullen daer en boeven betalen de drie gouwen ecclesije Vranckrijckse schilden ende sculden die welcke voerscreven staen; ende soe wie datter inne in ghebrecke valt, die sal men terstont moegen doen executeren aen hoerluyden gereetste goederen, als seckeren accijssen ende domijnij, sonder enijghe oppositije ter contrarije te sustineeren.

Item die procuratoers ofte broederen off dat meerendeel van dien, die moeghen tot allen tijden, als sij willen. dese voerscreven fondatije, overdracht, verbant ende elke punt bisonder verminderen, vermeerderen naer hoer goet duncken tot oerbaerlickheijt ende meere nutschap ende profijt der voerscreven broederscap ende anders niet.

Item voert soe gheloeven wij allen broeders ende susters, die in dese voorscreven broederscap sijn, dese ordinantije mit allen articulen hierinne begrepen, mitter broederschap te houden van weerden voer ons ende onsser naecommelingen, ende daer niet teghens te oposeeren, noch te doen, noch te doen doen mit enijghen rechten, geestelick noch werlick, in enijgher wies.

Alle dinck sonder argelist.

In kennisse der waerheyt soe hebben wij Jan Nyssoen, Cornelis Gijsbertssen, Cornelis Cornelissen Poel op Spijek ende Henrick Tonissen, procuratoers ende kerckmeisters voerscreven, elkx dese fondatije onderteijkent; ende tot meerder vasticheijt soe hebben wij procuratoers ende kerclemeisters voerscreven met der ghemeen broederen en susteren tsamentlick gebeden den erentfesten, edelen ende vroemen joncker Vrederick Uuten Eng, jonker Johan Uuten Ham, Ghisbert Cornelissen Uuten Wael, scout tot Vlueten, Cornelis Cornelissen, schout van Themaet ende Gijsbert Janssen van Wel, schout van der Haer, dese ordonantije ofte fondatie van der broederscap over ons allen te willen besegelen.

Abeelding Stichtingsakte
Abeelding Stichtingsakte

Ende wij voerscreven hebben om bede wille van den procuratoers, kerckmeisters ende onsse ghemeen broederen ende susteren voerscreven elcx onsse segel aen desen brieff gehanghen ende mede over ons selven etc.

Gegheven in ‘t jaer Ons Heeren duysent vijffhondert ende acht ende tsestich opten sevensten dach inde Meert.

(get.) Jan Nyssoen, Cornelis Gijsbertsz, Cornelis Cornelisz Poel op Spyck, Hendrick Tonisz

(Gezegeld met zegels van Frederik Uten Eng, Jan Uten Ham Wanroy, Gijsbert Cornelissen Uten Wael. Cornelis Cornelissen en Gijsbert Janssen van Wel)

Hier een link naar een pdf met een overzicht van eigenaren door de eeuwen heen.