Septembernummer (’20) van ‘Rond Leidsche Rijn en Vleutensche Wetering’

Vanaf donderdag 24 september zal het decembernummer van ‘Rond Leidsche Rijn en Vleutensche Wetering’ weer verspreid worden onder onze leden.

September nummer 2020
September nummer 2020

Deze editie bevat weer een groot aantal interessante artikelen waaronder:

  • ‘De klokkenroof in 1943’ door Kees Rasch
  • ‘Vervlogen tijden vastgelegd door Chris Schut: een vroegere dorpsbewoner’ (3) door Evalien van ‘t Veen
  • ‘Een Vleutense abt van Koningshoevendoor Ton van Schaik.

 

‘De klokkenroof in 1943’ door Kees Rasch

Weinig lezers van ons tijdschrift zullen zich realiseren dat het liedje “Klok onder Water” van Boudewijn de Groot1 waarin hij “toen de vijand is gekomen … zijn de klokken uit de toren naar het oosten meegenomen” zingt, ook in onze gemeenschap stilte en ontzetting heeft teweeggebracht. De roof van kerkklokken heeft in 1943 in alle kerken van Vleuten, De Meern en Haarzuilens plaatsgevonden. Er is over deze klokkenroof uit de kerken in onze omgeving fragmentarisch geschreven in boeken en tijdschriften. Hier treft u het hele verhaal aan over de roof van de verschillende klokken.

Uit de historie is bekend dat in oorlogstijd dikwijls schaarste aan grondstoffen ontstaat omdat veel metalen niet meer uit verre landen kunnen worden aangevoerd. Om de oorlogsindustrie dan toch in staat te stellen kanonnen en munitie te fabriceren werden kerkklokken gevorderd om aan het benodigde koper en tin te komen. Op deze wijze werden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Duitse Rijk en in Oostenrijk-Hongarije ca. 43.000 kerkklokken omgesmolten om er munitie van te maken2.

In de tweede helft van de jaren dertig van de vorige eeuw nam de oorlogsretoriek van de ons omringende landen toe. Het Rijksbureau voor de Monumentenzorg begon zich in 1937 al zorgen te maken over de situatie dat de Nederlandse industrie geen metalen meer kon invoeren als er in Europa oorlog zou uitbreken. Tijdens gesprekken met het Ministerie van Defensie werd aangegeven dat in geval van vordering van kerkklokken er rekening mee mocht worden gehouden dat 10% van het klokkengewicht gespaard mocht blijven. Lees meer in het septembernummer.

Terug naar de pagina over ons tijdschrift.

 

‘Vervlogen tijden vastgelegd door Chris Schut: een vroegere dorpsbewoner’ (3) door Evalien van ‘t Veen


In deel 1 en 2 heb ik het levensverhaal van Chris Schut (1912-2000) beschreven met de nadruk op zijn jaren in De Meern, zijn werk over De Meern en een boekenserie, waaronder Gezichten langs de Oude Rijn, bij ons bekend als de Leidse Rijn. In zijn werkzame leven, dat ruim een halve eeuw omspant, heeft hij honderden documentaire tekeningen gemaakt. Zij zijn te vinden in de gemeentearchieven van Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, in de Atlas van Stolk en in het Spoorwegmuseum, maar ook in particuliere verzamelingen. Chris Schut tekende om de stad Utrecht te documenteren. Hij was een avontuurlijk tekenaar. Zijn tekeningen leveren een prachtig kleurrijk stadsbeeld op, uit het tijdperk van voor de kleurenfotografie.

In dit laatste en derde deel vertel ik graag naast een bijzondere oorlogsanekdote ook nog over het werk dat hij maakte over de veranderende stad en wat aan de rand van de stad Utrecht ook wel als de oprukkende stad werd ervaren. Ik belicht daarbij weer dat deel van zijn werk dat aan onze regio te linken is.

De vele tekeningen van Chris Schut tonen na de oorlog een kleurige, dynamische, bruisende en veranderende stad Utrecht. Een levende stad, die op heel persoonlijke manieren geïnterpreteerd is waardoor wij inzicht krijgen in veranderingen in het stadsbeeld door sloop en nieuwbouw. Grote ingrepen zoals in het oude stationsgebied vóór de komst van Hoog Catharijne heeft hij goed gedocumenteerd, vaak bijna fotografisch.

De onderwerpen droeg hij vaak zelf aan. Zijn liefde voor de stad en de regio Utrecht, waar hij van zijn jeugd tot zijn dood gewoond heeft, bracht hem ertoe situaties vast te leggen die door stadsuitbreiding, verbouwing of sanering zouden verdwijnen. Ook de veranderingen zelf waren onderwerp van zijn documentatiedrift. De aanleg van de buitenwijken van Utrecht, van het bouwrijp maken van de grond tot de bouw van de eerste woningen en van de elektriciteitscentrale Lage Weide zijn te vinden op enkele van de bijna driehonderd tekeningen van Chris Schut in de Utrechtse collectie van het Utrechts Archief. Lees meer in het septembernummer.

Terug naar de pagina over ons tijdschrift.

 

‘Een Vleutense abt van Koningshoevendoor Ton van Schaik.

Op 17 september jongstleden verscheen het boek Hoge idealen, nederige aanvaarding, Willibrord van Dijk en de vernieuwing van het kloosterleven van Arnold van Dijk over zijn oom Jan van Dijk.

Jan van Dijk (1903 – 1989), de latere abt van het klooster Koningshoeven in Berkel-Enschot, was de zoon van de Vleutense dorpssmid Arie van Dijk en Neeltje van Rooijen uit Montfoort. Voor de deur van zijn ouderlijk huis annex werkplaats aan de Dorpsstraat 34 stond en staat nog steeds de ouderwetse (gerestaureerde) travalje [term is afkomstig van het Franse woord travail, wat werk betekent, red] waarin de paarden werden beslagen. In een agrarisch dorp zoals Vleuten toen nog was, namen de smederij en de smid een centrale plaats in. Jantje werd geboren op 1 december 1903 en was het derde kind – uiteindelijk zouden het er zeven worden – en de eerste zoon van zijn ouders.1 Zijn vader heeft misschien een opvolger in hem gezien, maar zijn weg leidde hem al betrekkelijk vroeg weg van zijn geboorteplaats.
De kleuterschool, toen nog bewaarschool, was een plek waar hij zich verveelde; op de lagere school, een openbare school bevolkt door uitsluitend katholieke kinderen, bleek hij een snelle leerling. Meester Gisbergen vond dat Jan moest “verder leren” en vader was het daarmee eens. Zo ging hij naar de net opgerichte Gregorius–Mulo van de fraters van Utrecht, elke dag met een paar andere Vleutense jongens op de fiets naar de Kromme Nieuwe Gracht. Toen hij daar in 1920 het diploma haalde, probeerde frater Seraphicus van der Linden de vader van Jan ervan te overtuigen dat Jan het daarbij niet moest laten, maar moest gaan studeren. De smid zag daar niets in en vond dat zijn zoon, als hij dat beslist wilde, zelf zijn geld ervoor moest gaan verdienen. Er waren er thuis nog méér, die ook van alles wilden en van alles konden. Lees meer in het septembernummer.

Terug naar de pagina over ons tijdschrift.

Geef een reactie