Verslag van de voordracht van professor Marco Mostert, hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht

Op dinsdag 12 december 2017 hield professor Marco Mostert een voordracht in Veldhuizen over o.a. City-vorming in de vroege middeleeuwen en de reden dat Willibrord tot aartsbisschop van de Friezen werd benoemd met standplaats Utrecht. Verder besteedde hij ook aandacht aan het toenemende historische belang van het Leidsche Rijn gebied door de opgravingen van de laatste 20 jaar.

Het eerste deel van de voordracht ging over het belang en de aandacht voor het gebied van de Kromme Rijn. Daarbij werden de nederzettingen Dorestad en Trajectum centraal gesteld. Om het belang van Cityvorming aan te tonen zouden een tiental factoren van belang zijn. Bewonersaantallen, handel, economische/financi?le activiteiten, bebouwing/indeling en religieus centrum waren daarbij de belangrijkste. Het blijkt nu, dat voor Dorestad al deze factoren van toepassing waren, behalve religieus centrum. Voor Trajectum was juist het omgekeerde het geval.

Waarom heeft Willibrord dus gekozen voor Trajectum? Dit zou passen in de machtspolitiek van de Franken, die juist wilden dat een aartsbisschoppelijke zetel in Trajectum zou komen, vanwege de continu?teit met het Romeinse verleden (Castellum Trajectum).

In zijn voordracht benadrukte Mostert de zeeroute van York, via de Vlie, Almere/Flevo en Vecht, naar Utrecht, die Willibrord en Bonifatius hadden genomen. Hij betreurde in deze context ook het gebrek aan archeologisch onderzoek in de Vechtstreek (Nifterlake).

Het Kromme Rijn gebied is sinds de Romeinse tijd een welvarend gebied geweest. Dit werd aangetoond door vele archeologische vondsten. Dorestad ontwikkelde zich tot handels- en overslagcentrum tussen het Frankische gebied in het Zuiden en Friese in het Noorden. Dat maakte het ook aantrekkelijk voor Angel-Saksische en Scandinavische handelaren. Ook werd dit ondersteund door de vele munten die er werden geslagen (Madelinus tremissis). Deze munten werden bij opgravingen ook gevonden binnen het religieuze centrum aan het Utrechtse Domplein.

Professor Mostert vond het opvallend, dat de laatste twintig jaar vele bewijzen waren gevonden van nederzettingen in het gebied ten Westen van Utrecht, globaal vanaf de A2 bij Huize Voorn tot Haarzuilens. Hij noemde dat als reden om het denken over het historische belang van Leidsche Rijn, als tamelijk onbeduidend weide- en griendengebied te heroverwegen. Zijn verwachtingen van nieuwe archeologische vondsten zijn hooggespannen. Over de vondsten onder de A2 stelde hij dat er een vijftal boerenerven waren bewezen en ook sporen van scheepsbouw (onderhoud). Zelf was hij zeer enthousiast over de vondst van een vroegmiddeleeuwse, ijzeren schrijfpen (voor een wassen schrijfplank?).

Saillant was, dat hij de gevonden muntenschat (Sceatta?s) in Leidsche Rijn als teken zag van de lokale welvaart gedurende de vroege middeleeuwen in het gebied ten Westen van Utrecht!

Professor Mostert verwachtte, dat nieuwe opgravingen verder zullen bijdragen aan de kennis over de welvaart in de vroege Middeleeuwen van dit gebied en daarmee het archeologische belang van Leidsche Rijn.

Tenslotte brak hij een lans voor meer publicaties (in de Engelse taal!) over de archeologische vondsten, teneinde ook internationaal meer aandacht en waardering voor deze regio te verkrijgen.

Arthur van der Leij (13 december 2017)